Volstrekte bevoegdheid van Vrederechter, opgelet!

Art. 590 Ger.W.: De Vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag
€ 1 860.00 niet te boven gaat

 

Art. 557 Ger.W.: Wanneer het bedrag van de vordering de volstrekte bevoegdheid bepaalt, wordt er onder verstaan de som die in de inleidende akte wordt geëist, met uitsluiting van de gerechtelijke intrest en van alle gerechtskosten (alsook van de dwangsommen).

 

MAAR OPGELET!

 

Art. 558 Ger.W.: Wanneer de vordering verschillende punten bevat, worden deze samengevoegd tot bepaling van de bevoegdheid.

 

Advertenties

Ontslag wegens surfen op Facebook tijdens ziekte.

In Zwitserland is een vrouw ontslaan omdat ze tijdens haar ziekte aan het surfen was op Facebook.

De vrouw had beweerd dat zij niet voor een computer kon werken omdat zij diende te rusten in een donkere plaats. De Zwitserse verzekeraar Nationale Suisse stelde vast dat zij tijdens deze ziekte actief was op Facebook en deelde dan ook mee dat zij het vertrouwen in haar werknemer had verloren.

De verzekeraar deelde dan ook mee dat het misbruik van vertrouwen, eerder dan de activiteit op Facebook, leidde tot beëindiging van de tewerkstelling.

De dame in kwestie beschuldigt de verzekeraar van inbreuk op haar privacy.

bron

Wet 27 maart 2009 invordering van schulden van de consument

wet betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument ook van toepassing op advocaten

Bij art. 38 en 39 van de economische herstelwet van 27 maart 2009 (B.S. 7 april 2009) werden een aantal bepalingen van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument gewijzigd.

Voortaan valt de activiteit van minnelijke invordering van schulden gesteld door een advocaat of een ministerieel ambtenaar of een gerechtelijk mandataris in de uitoefening van zijn beroep of zijn ambt ook onder de toepassing van deze wet, met uitzondering van de artikelen 4, 8 tot 13 en 16 van de wet.

In het kader van de minnelijke invordering van schulden van de consument verbiedt artikel 3 van de wet een aantal gedragingen, voornamelijk terug te vinden bij incassokantoren en niet gebruikelijk voor advocaten. Dit artikel zal wellicht weinig wijzigen aan de praktijk van de advocaat.

Artikel 5 van de wet bepaalt dat het verboden is aan de consument enige vergoeding te vragen, anders dan de overeengekomen bedragen in de onderliggende overeenkomst in geval van niet naleving van de contractuele verbintenissen. De advocaat mag dus in het kader van de minnelijke invordering van schulden geen vergoeding vragen voor de eigen activiteit. Ook dit is in de advocatuur niet gebruikelijk en zal dus niets wijzigen aan de praktijk.

Belangrijkste wijziging is terug te vinden in artikel 6, dat bepaalt welke vermeldingen verplicht moeten voorkomen in een ingebrekestelling in het kader van een minnelijke invordering van schulden van de consument:

1.     de identiteit, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoonnummer en de hoedanigheid van de oorspronkelijke schuldeiser;

2.     de naam of de benaming, het adres en, desgevallend, het ondernemingsnummer van de advocaat;

3.     een duidelijke beschrijving van de verplichting die de schuld heeft doen ontstaan;

4.     een duidelijke beschrijving en verantwoording van de bedragen die van de schuldenaar geëist worden, met inbegrip van de geëiste schadevergoedingen en nalatigheidsintresten;

5.     de vermelding dat, bij afwezigheid van reactie van de schuldenaar binnen een termijn van 15 dagen, de schuldenaar tot andere maatregelen tot invordering kan overgaan;

6.     een afzonderlijke alinea, in vet gedrukt en in een ander lettertype met volgende tekst: “deze brief betreft een minnelijke invordering en geen gerechtelijke invordering (dagvaarding voor de rechtbank of beslag)”.

De advocaat kan dus niet overgaan tot gerechtelijke invordering voor het verstrijken van een termijn van 15 dagen die aanvangt op de datum waarop de schriftelijke aanmaning wordt verstuurd. Krachtens deze wet is de advocaat wel niet verplicht een ingebrekestelling te zenden vooraleer over te gaan tot gerechtelijke invordering. Indien de ingebrekestelling wordt verzonden door de cliënt-schuldeiser is de wet daarop niet van toepassing.

Naast strafsancties voorziet de wet ook in belangrijke gerechtelijke sancties.

Artikel 14 bepaalt: "Iedere betaling die verkregen wordt in strijd met de bepalingen van de artikelen 3, 4, 6 en 7, behalve in het geval van een kennelijke vergissing die de rechten van de consument niet schaadt, wordt beschouwd als geldig door de consument verricht ten opzichte van de schuldeiser, maar dient door de persoon die de activiteit van minnelijke invordering van schulden verricht, te worden terugbetaald aan de consument. Heeft de invordering van een schuld betrekking op een geheel of ten dele onverschuldigd bedrag, in het bijzonder met toepassing van artikel 5, dan is degene die de betaling ontvangt ertoe gehouden het bedrag terug te betalen aan de consument, vermeerderd met de nalatigheidsintresten te rekenen van de dag van de betaling.”

Concreet betekent dit dat de advocaat die van een consument een betaling bekomt, na een ingebrekestelling die niet voldoet aan de vereisten van artikel 6 van de wet, gehouden kan zijn dit bedrag enerzijds door te storten aan zijn cliënt, maar anderzijds bij wijze van sanctie terug moet betalen aan de consument.

 

Merk niet meer zo sterk. Merk is geen gebruiksartikel.

Merken zijn veel minder sterk dan vijftien jaar geleden. Uit onderzoek blijkt dat het vertrouwen in merken de afgelopen vijftien jaar met de helft is gedaald, de merkwaardering met 12 procent en de merkbekendheid met 20 procent.

Dat zou ‘brandmanagers’ wakker moeten schudden. Die zijn de laatste tijd veel te gemakzuchtig omgesprongen met de profilering van hun merken, die daardoor meer en meer op gebruiksartikelen zijn gaan lijken. Superieure kwaliteit leveren, daar gaat het om. Want een merk is niets tenzij het kan bewijzen dat het iets is.

Bron: Marketing Online – Brisk Magazine  en http://www.kmopme.be/news/9058_het_merk_is_niet_meer_zo_sterk